2. Positie van detectoren en GPS antenne
Twee verschillende HiSPARC detector configuraties worden toegepast; een twee-skibox opstelling (rechts) en een vier-skibox opstelling (beneden). De opstelling met twee skiboxen is bij uitstek geschikt wanneer het station gecombineerd wordt met andere stations in de directe omgeving (clusters). Het totale detectieoppervlak van dit station bedraagt 0.5 + 0.5 = 1.0 m2. Om de hoekafhankelijkheid van de opstelling te beperken, worden beide skiboxen parallel geplaatst (de effectieve ‘lengte’ van het station in twee richtingen is dan 1 m). De ‘typische’ afstand tussen de twee skiboxen bedraagt 5 à 6 meter.
De GPS kan tussen de twee skiboxen op de hartlijn van de scintillatoren geplaatst worden. Meet de Noord-Zuid oriëntatie van deze hartlijn met een kompas en maak een situatieschets in het logboek.
Een opstelling met 4 detectoren biedt de mogelijkheid om de richting van een lokale deeltjeslawine te bepalen. Ook hier is gekozen voor een opstelling waarbij de geometrie geoptimaliseerd is voor symmetrie; drie detectoren vormen de hoekpunten van een gelijkzijdige driehoek (met zijden van 10 m).
De vierde detector bevindt zich in het zwaartepunt van deze driehoek. Wanneer in alle vier de detectoren een signaal gemeten wordt, kunnen in totaal 4 driehoeken onderscheiden worden; triangulatie - om de richting van de deeltjes te bepalen - kan zo 4 keer uitgevoerd en op consistentie getest worden…
De GPS kan in het midden op de hartlijn tussen de scintillatoren 3 en 4 geplaatst worden. Wordt van deze positie afgeweken, dan moet een detailschets gemaakt worden van de positie van de GPS ten opzichte van de detectoren. Ook hier moet de oriëntatie van de hartlijn tussen 3 en 4 t.o.v. het Noorden met een kompas bepaald en in het logboek beschreven worden. De volgorde in de nummering van de detectoren is eenduidig en mag niet veranderd worden (Master: scintillator 1 en 2 en Slave: scintillator 3 en 4)!



